- 0 Overleg
-
De invoering van blended learning, van pioniers naar normale toepassing
door --Pieter Vorstenbosch
Aandacht voor een specifieke opleiding voor docenten
Bewerken
Tijdens de implementatie van Blended learning komen steeds vaker signalen dat er een fundamenteel probleem speelt waardoor de invoering van een programma als een ELO stagneert.
In de tijd van het onderwijzen in een klas met krijt en bord was het voornaamste van we van een docent vroegen het overbrengen van informatie. Er werd ook aandacht besteed aan hoe je de opgedane kennis kon toepassen maar in mindere mate. Daarnaast werd er in het beroepsonderwijs ook geïnstrueerd, bijvoorbeeld hoe je met een machine om moest gaan of hoe je een bed kan verschonen terwijl er een patiënt in ligt.
Bij de invoering van blended learning is er behoefte aan ander gedrag en dus andere competenties van docenten. Tijdens de invoering van blended learning verandert de informatieverstrekking het meest. Door hulpmiddelen als computer en telefoon staat de leerling continu in contact met informatiebronnen. De rol van de docent als informatieleverancier wordt minimaal. De voornaamste opdracht voor de docent wordt nu de leerling te coachen in het individuele leerproces en te laten zien hoe de kennis en vaardigheden toegepast kan worden.
De huidige docenten zijn, en de nieuwe docenten worden, nog niet opgeleid voor deze nieuwe opdracht. De scholen die e-learning invoeren beginnen daarom onmiddellijk met professionaliseringsactiviteiten. Bij de invoering van blended learning ligt, zeker in het begin, de focus van iedereen en alles op de technologie. Daarbij wordt gedacht dat, als de docenten de technologie aanleert, het wel goed komt. Er wordt geïnvesteerd in ICT cursussen (bijv. DRO) en docenten doen ervaring op met het ontwikkelen van elektronisch leermateriaal. Ook worden de docenten ingeleid in een ELO programma waarmee zij het leermateriaal kunnen distribueren, de leerling kunnen volgen en begeleiden.
Het is juist in dit scholingsproces waar de invoering van blended learning stagneert. Docenten moeten volgens deze strategie door de technologie te begrijpen die in het leerproces gaan toepassen. Neem daarbij mee dat veel docenten bang zijn voor technologie. Dit gebeurt omdat de leerlingen als gewoon met de technologie omgaan terwijl de docenten er niets van snappen en dus bang zijn af te gaan in het zicht van hun leerlingen. Dit technologisch scholingsproces en de angst zijn de ingrediënten voor een falende implementatie.
Specifieke verandering van de taak.
Bewerken
Vroeger was informatievoorziening het grootste deel van het werk van docenten. De goede docent kan een uitleg geven over een concept in zijn of haar vakbereik wat de meeste leerlingen begrijpen. Daarnaast kan de docent inspelen op vragen en controleren of de uitleg overgekomen is. Naast informatievoorziening vindt er ook nog begeleiding op schoolloopbaanniveau van de leerling plaats waarbij er gradaties in intensiteit zijn. Een mentor leerling wordt intensiever begeleid dan een leerling die alleen de lessen bijwoont.
In de blended learning vorm moet een docent zich gaan profileren als een e-coach. De e-coach heeft gedeeltelijk andere werkzaamheden en de eisen die voor deze werkzaamheden aan een e-coach gesteld worden zijn:
1. De e-coach is thuis in de elektronische leeromgeving waar hij of zij de cursist volgt aan de hand van allerlei elektronische sporen zoals de status van het portfolio, producten die daar staan en de logboek invulling.
2. De e-coach kent de cursus en kan aan de producten van de cursist onderscheiden wat de voortgang van de cursist is.
3. De e-coach biedt naar aanleiding van de inschatting van de voortgang van de cursist een aantal tools aan die de cursist mogelijkheden bieden om zich te verbeteren. Deze tools zijn: diagnostische toetsen, relevante websites, blogs, wiki’s.
Naast deze inhoudelijke begeleiding speelt natuurlijk ook de begeleiding van de leerlingen op schoolloopbaanniveau zoals de docent al langere tijd uitvoert.
Mijn stelling is dat docenten specifiek opgeleid moeten worden om aan de drie eisen van e-coaching te voldoen. Een algemene cursus ELO voldoet niet. Uit ervaring blijkt dat maar weinig docenten, die een algemene cursus ELO doorlopen, de transfer van informatievoorziening naar inhoudelijk coach kunnen maken. De opleiding zal intensiever en specifieker moeten worden. Specifiek opleiden op het gebied van de digitale sporen die de leerling tijdens het leerproces achterlaat, hoe je elektronisch feedback geeft en hoe je kunt achterhalen of die feedback ook begrepen wordt. Deze opleiding moet, in mijn ogen, digitaal aangeboden moeten worden. Dat helpt bij de transfer. Vanuit deze ervaring zullen de deelnemende docenten zich meer kunnen inleven in wat de leerling ervaart.
Docenten opleiden in het ontwerpen en samenstellen van een elektronische cursus helpt niet echt. In het traditionele werk van schrijven voor een methode voor een uitgever is minder dan 5% van de docenten bekwaam. Verwacht niet dat met ICT ineens meer docenten materiaal voor een elektronische methode kunnen schrijven. Het is ook niet aan te nemen dat ze doorgronden wat het specifieke aan het schrijven van een elektronische cursus is. Het is eerder andersom: door ervaring met het begeleiden van leerlingen tijdens het leren middels een digitale cursus zal de docent leren welke elementaire functies zo’n cursus moet hebben om het leerproces positief te laten verlopen.
De elektronische cursus zal door de docent zeer goed beheerst moeten worden, van begin tot eind. Leerlingen laten zich in deze aanpak niet ophouden door de rest van de groep maar gaan in eigen tempo door dus je kunt alle vragen verwachten. Dit is structureel anders dan een klassikale les met een boek waar de docent de gedetailleerde informatie maar voor een relatief korte tijd nodig had.
De cursus kennen is het begin van het inschatten van de voortgang van de leerling. Aan de hand van de producten van de leerling die in het portfolio staan moet de docent kunnen zien waar in de opbouw de leerling zit. Dit zowel in tijd als in kwaliteit.
Naar aanleiding van de inschatting van de voortgang volgen er interventies. Zoals al eerder gezegd zal de docent moeten leren hoe je digitaal intervenieert en hoe je feedback geeft. Alleen feedback is vaak niet voldoende en de docent zal ook hulpmiddelen moeten aanreiken waarmee een leerling verder kan komen. Kennis van en gebruikerservaring met relevante websites, blogs, wiki’s, social bookmarking, digitale toetsen zal voor dit onderdeel echt bij de docent aanwezig moeten zijn.
De scholing zal dus echt specifieker moeten zijn en het best op maat voor de elektronische omgeving waarin de docent werkt. In het geval van aanleren van het toepassen van ICT in het leerproces mogen docenten best aan het handje meegenomen worden, zoals zij zelf doen met hun leerlingen wanneer het onderwerp ingewikkeld is.